Ons Zonnestelsel

terug naar 

Om onze zon, draaien negen planeten met hun manen, tegen de klok in. Mercurius staat het dichtst bij de zon. Dan komen Venus, Aarde, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus en Pluto.

De eerst drie: Mercurius, Venus en Mars lijken, in hun structuur, en afmetingen een beetje op de aarde: . Ze hebben evenveel massa, een hoge dichtheid (ze zijn 'zwaar') en geen of maar een dunne atmosfeer (dampkring); het oppervlak bestaat uit vast gesteente.

De aan de andere kant van de zgn. asteroïdengordel liggen de reuzenplaneten Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus. Ze zijn vele malen zwaarder, maar een kleine dichtheid (ze bestaan uit allerlei gassen en worden gasreuzen genoemd).

Ze hebben geen vaste oppervlakte. De grote planeten worden ook door een enorme atmosfeer omgeven. De buitenste baan wordt bezet door Pluto. Hij heeft de langste omlooptijd om de zon.  Wat structuur betreft (geen atmosfeer, vast oppervlak) lijkt hij op de de aardse planeten.

 

Kleine hemellichamen in het zonnestelsel

Naast de planeten met hun manen en verschillende vormen van interplanetaire materie (stof) bestaan er hemellichamen, die vanwege hun geringe grootte maar moeilijk en zelden te zien zijn.

Pas toen er telescopen werden gebruikt, zagen we de planetoïden en meteoren. Planetoïde betekent "kleine planeet". Een andere benaming is "asteroïde".

Er vliegen miljoenen meteoren door ons zonnestelsel. Deze steenbrokken, vliegen bijna allemaal in een gordel tussen de banen van Mars en Jupiter. Ze hebben, allemaal bij elkaar, maar weinig massa. Wetenschappers hebben berekend dat alle stukken steen bij elkaar maar ongeveer 1/20 van de massa van de maan hebben.

Meteoren zijn de resten van kometen of alleen maar delen van komeetstaarten, die bij het binnendringen van de aardatmosfeer verbranden. Wij kunnen ze dan zien als 'vallende sterren'.

opdracht

1) Wat is er naast de planeten nog meer in het zonnestelsel

2) Waarom wordt de zon het centrum van ons zonnestelsel genoemd?